gasthuis_kl.JPG (13367 bytes)
St.-Julianusgasthuis

[ hospitaal | St. Julianus | legende | gasthuis | de Pelgrimstafel ]

 

1. "hospitaal"

Het woord "hospitaal" moet begrepen worden in de oorspronkelijke betekenis van "gastverblijf"; meestal genoemd naar een beschermheilige, in dit geval : Sint-Julianus.

Het oudste dergelijke gasthuis of herberg die onderdak verschafte, zou gesticht geweest zijn in Rome in 713 onder de naam "Sint-Julianus der Vlamingen", omdat in de eerste eeuwen Rome de best bereikbare bedevaartplaats was. De bedevaarders reisden naar die stad om het graf van de Heilige Petrus, de catakomben en de Heilige Vader te bezoeken. Pas veel later trokken de bedevaarders, ingevolge de kruistochten, naar het Heilig Land onder bescherming van de Orden der hospitaalridders van de heilige Johannes en van de Tempeliers. Deze beschermden en begeleidden de onversaagde reizigers die wensten te mediteren op de plaatsen die bekend waren door markante feiten uit de Bijbelse geschiedenis. Ingevolge de val van Constantinopel in 1453, tot 1917 een Ottomaanse stad, verminderden uiteraard de reizen naar het Heilig Land. Zodoende bleef Rome, sinds de Middeleeuwen tot nu, voor de Christenen de bedevaardplaats bij uitstek.

De stad Rome krioelde van de gasthoven die de bedevaarders uit verschillende landen zouden opvangen. De "Fondatie Sint-Julianus van de Vlamingen" werd in 1094 gesubsidieerd door Robbrecht I, Graaf van Vlaanderen, genoemd "van Jeruzalem" (1093-1131), die deelnam aan de eerste Kruistocht.

Keizer Karel betaalde uit zijn persoonlijke kas aanzienlijke sommen en leverde een bijdrage tot de wederopbouw van de kerk van Sint-Julianus der Vlamingen. In 1852 schonk de Prins van Chimay, toen gezant van Belgie bij de Heilige Stoel, een glasraam aan deze kerk, die de nationale kerk van de Belgen te Rome was geworden.

Bij traditie konden behoeftige priesters in die Romeinse Fondatie onderdak vinden. Bepaalde abdijen en kerken die op de weg van de bedevaarten lagen, boden destijds nachtverblijf aan pelgrims op doorreis.

terugtop.gif (214 bytes)       
Terug naar boven

2. St. Julianus

 

Behalve De Gastheer, heet Sint-Julianus ook nog De Arme en de De Vadermoordenaar: drie bijnamen die betrekking hebben op voorname feiten uit een, voor het overige, voorbeeldig leven.

Sinds de middeleeuwen wordt hij aanbeden als de beschermer van de vishandelaars, de hoteliers, de zeelieden, de veerlieden, de speellieden, goochelaars, reizigers, zangers, dichters, musici en ten slotte van de pelgrims. Wie was Sint-Julianus dan wel?

Volgens sommigen zou hij in Frankrijk geboren zijn, volgens anderen in Italië, op Sicilië of in Spanje. Volgens één bepaald heiligenleven zou hij in 313 onder Maximinus Gains Galerius Valerius genaamd Daia, Keizer van 308 tot 313, gestorven zijn.

Gedurende de middeleeuwen werd hij alom vereerd, bedenkt U maar dat alleen reeds in Frankrijk, niet minder dan 80 gemeenten de naam Saint-Julien dragen.


 

terugtop.gif (214 bytes)       
Terug naar boven

3. St.-Julianuslegende

In de Annalecta Bollandi , vol.63, biz 145-146, vertelt E.P. Paiffier het volgende : Julianus, telg van een adellijke familie, was een hartstochtelijk jager. Toen hij op zekere dag een hert achterna zat en het dier in het nauw gedreven had, draaide het zich plotseling om en sprak een schrikwekkende voorspelling uit : Gij die mij vervolgt, gij zult de moordenaar van uw vader en uw moeder worden.

Vol ontzetting verliet de jonge edelman onmiddellijk het ouderiijk huis en vertrok naar vreemde landen waar hij een zeer avontuurlijk leven leidde. Hij trouwde met een dame van aanzien.

Zijn ouders waren ontroostbaar, zij zochten hem tevergeefs, tot een gelukkig toeval hen uiteindelijk bij het kasteel van hun zoon bracht. Julianus' vrouw, Basilissa, omringde hen met veel zorg en liet hen rusten in haar eigen bed.

Julianus wist niets van dit alles en toen hij terugkwam van de jacht en naar zijn slaapkamer ging, zag hij meteen het paar in bed, dacht dat zijn vrouw hem ontrouw geworden was en stortte zich blind van woede op de slapers, die hij allebei doodde. Bij de terugkeer van zijn vrouw vernam hij dan spoedig de juiste toedracht. Het hert had waarheid gesproken.

Gek van verdriet en door wroeging overstelpt vatte hij het besluit op, de rest van zijn leven aan boetedoening te wijden. Zijn vrouw volgde hem. Zij verzaakten aan hun weelderig leven en gingen zich aan de oever van een gevaarlijke rivier vestigen waar zij een herberg voor reizigers bouwden en Julianus veerman werd.

Op een winteravond, terwijl de storm loeide, weerklonk op de andere oever hulpgeroep en smeekbeden. Alleen op naastenliefde bedacht, snelden Julianus en zijn vrouw ter hulp. Hij roeide, terwijl zijn vrouw met de lantaarn bijlichte over de golven. Zo brachten zij een arme leproos in veiligheid. De man was verkleumd van de kou en zij dienden hem de beste zorgen toe.

Dan maakte de leproos zich bekend en sprak hen toe om hen het spoedige einde van hun boetedoening aan te kondigen die zou gevolgd worden door de eeuwige zaligheid. Meteen was hij verdwenen. Julianus en zijn echtgenote hadden toen Christus herkend die hen met zijn tegenwoordigheid had vereerd om hen die welverdiende en aangename boodschap te brengen.

Dit verhaal verklaart duidelijk waarom Julianus de patroon van de herbergiers en hoteliers is geworden.

terugtop.gif (214 bytes)       
Terug naar boven

4. St. Julianus gasthuis Antwerpen

Om de geschiedenis van onze gasthuisinstellingen na te trekken, steunen wij ons vooral op het werk van Edmond Geudens, archivaris van wat eertijds heette de Burgerlijke Godshuizen (en nu Openbare Centra voor Maatschapelijk Welzijn).

Te Antwerpen werd in 1303 het Sint-Julianusgasthuis opgericht en weldra volgde Brussel met twee stichtingen : het Sint-Julianusgasthuis in de gelijknamige straat in de Marollenbuurt en het gasthuis Sint-Jacob, uiteraard voor de bedevaarders die naar Sint-Jacob van Compostella wilden. Ook andere steden in ons land, hadden hun toevluchtsoord voor bedevaarders : Brugge, Lier, Mechelen, Bergen, Vilvoorde. Die verblijven droegen meestal de naam van Sint-Julianus of van zijn echtgenote Sint-Basilissa. De toeviuchtsoorden voor mannen stonden bekend onder de naam Sint-Julianus De Gastheer; vrouwen vonden onderdak in verblijven genoemd naar Sinte-Basilissa.Geudens houdt voor dat er bij de Antwerpse Kathedraal een liefddadigheidsinstelling behoorde, gevestigd in de Pelgrimstraat, een instelling die overgebracht werd naar het nieuw gasthuis bij de Sint-Janspoort, waar zij nu nog altijd gevestigd is. Daar stelde een dame van stand, de weduwe van Gijsbrecht van der List, geboren Ida van Wijneghem, met behulp van Jan Tuclant, kannunik van 0.-L.-V.- Kerk, reeds vóór 1303 (en dus lang voor de oprichting van de Fondatie) haar huis open voor - en verschafte er onderdak aan - arme reizigers.

Volgens de officiele akte had de officiële stichting van de Fondatie plaats op maandag voor Palmzondag, 5 april 1305. De schenkster behield het vruchtgebruik van haar woning terwijl zij zorg droeg voor kost en inwoon van arme reizigers. In 1306 verleenden schenkers de naakte eigendom van verschillende boerderijen, waarvan de opbrengst moest dienen om de missen in het gasthuis te bekostigen.

gasthuis_oud.gif (68176 bytes)

In 1310 erkende Hertog Jan H van Brabant de stichting en verleende hij zijn hoge bescherming, vrijstelling van belasting en gaf hij de toestemming tot het ontvangen van aalmoezen.

In 1312 maakte Ida van der List een testament waarin zij de schenking van haar goederen bevestigde en als beheerders van het gasthuis de abt van de Sint-Michielsabdij, de plebaan van Antwerpen (d.w.z. de kannunik belast met het parochieambt van de O.L.V. Kathedraal) en een schepen van de Stad benoemde. Tot schatbewaarder of boekhouder benoemde ze een broeder van de Beggaarden. Deze orde was in onze gewesten niet door het Concilie van Vienne (Frankrijk) ontbonden geworden. Zij beheerde te Antwerpen twee instellingen, nl. de infirmerie aan het Klapdorp en de gemeenschap van Sion op het Kiel.

In 1315 schonk zij al haar meubelen, die zij reeds in bruikleen gegeven had. Tot op die dag droeg het gasthuis naast de naam Sint-Julianus ook de naam Sint-Martha, wat te verklaren is door het feit dat de Heiland te Bethanie onderdak vond in het huis van Lazarus, Martha en Maria, hooggeplaatste mensen.

De statuten van het gasthuis werden bekrachtigd door het kapittel van Antwerpen in 1320, daarna door de bisschop van Kamerijk en tenslotte in 1330 door Z.H. Paus Johannes de XXII die toen te Avignon verbleef. Voortaan werd de stichting beheerd door de geestelijkheid van het Bisdom. Verdachte lieden, gemeen volk, dieven en twisters moesten geweigerd worden. Zieken en gebrekkigen werden evenmin toegelaten. De stichting was verplicht het aantal overnachtingen te beperken. Die maatregel bleef van kracht tot 1412, toen de magistraat de overnachtingen tot twee beperkte. Er werd ook bepaald dat een bezoeker pas na een termijn van twee weken terug onderdak kon krijgen. Bij overtreding werd de schuldige een vingertop afgezet.

Het huishoudelijk reglement, waarvan de tekst bewaard bleef, geeft het idee van het regime waaraan de bezoekers van het gasthuis gedurende de eerste twee eeuwen waren onderworpen. Dat reglement bepaalt dat de reizigers op de volgende dagen een speciale schotel gekookt lam met ajuin kregen: Verloren Maandag, Vastenavond, Oudejaarsavond en Driekoningen. Viel de feestdag op een vlees- of visloze dag, dan werd ter vervanging paling opgediend. Op gewone dagen bestond de kost uit een schotel bonen, roggebrood en een glas bier van mindere kwaliteit. Gedurende de eerste twee eeuwen was het menu dus wel heel erg beperkt. Bovendien kregen de reizigers tussen Pasen en Allerheiligen geen eten maar alleen onderdak. In die tijd waren daar dertien bedden voor bestemd.

In 1501 werd er bij het gasthuis een kapel met kleine klokketoren gebouwd. In die kapel wordt nu alle jaren de traditionele pelgrimstafel gedekt, als nabootsing van het Laatste Avondmaal van Jezus en de Twaalf Apostelen.

De economische ommekeer in het begin van de 16e eeuw betekende de teleurgang van de handgeweven lakenindustrie, die de voornaamste rijkdom van onze gewesten uitmaakte. De Engelse concurrentie en de produkten van de Noordfranse fabrieken (de zgn. nieuwe lakenindustrie) die dezelfde kwaliteit hadden maar goedkoper waren, stortten de Vlaamse lakenindustrie in een economische crisis. De stijging van de prijzen van de voedingswaren - een algemeen verschijnsel bij het begin van die eeuw - deden de ontberingen en de ontevredenheid van de bevolking nog stijgen. In de steden, Antwerpen inbegrepen, namen de moeilijkheden nog toe, wanneer wevers zich op de buiten gingen vestigen, waar zij niet onder de voorschriften van de corporaties vielen. Zo ontstond op het platteland een industrieel proletariaat dat nog toenam door de toeloop van werkloos geworden stadsproletariaat. ln haar liefdadig bedrijf had de Kerk zich in de middeleeuwen vooral beziggehouden met degenen die schonken, veel meer dan met degenen die ontvingen.

Gasthuizen, refugiehuizen en godshuizen waren veel meer uit een geest van mysticisme dan uit een geest van sociale bekommernis ontstaan langsheen de verschillende pelgrimsroutes. De armen werden wel eeuwenlang gevoed, gekleed en geherbergd, maar men dacht er niet aan de bedelarij en de armoede zelf te bestrijden. De Kerk komt de verdienste toe liefdadigheid te hebben bedreven, maar zij werd door de realiteit achterhaald.

De staat ging als eerste - vóór de gemeenten - aan de slag; niet uit humanitaire overwegingen, maar terwille van de openbare orde. Hertog Filips de Goede van Bourgondië vaardigde als eerste verordeningen uit om de openbare bedelarij te reglementeren; in 1475 droeg hij de magistraat het financieel beheer op van de ziekenhuizen, de gasthuizen en de Heilige-Geesttafels. Dat was een eerste stap naar de centralisatie van de openbare onderstand. Filips de Schone en Keizer Karel volgden zijn voorbeeld.

In 1506 wordt een eerste edict uitgevaardigd tegen de bedelarij door gezonde jongeren. In 1508 hadden alleen nog zieken en gebrekkigen het recht te bedelen en overtredingen werden vervolgd. De liefdadigheid, nog altijd in handen van de geestelijkheid, moest op een andere manier worden aangepakt. De liefdadigheidsinstellingen, beheerd door de geestelijke orden, waren overbelast met behoeftigen en luiaards. De toenemende gemeentelijke bevoegdheid en de groeiende macht van een rijke en gecultiveerde burgerij speelde in het voordeel van een gemeentelijk beheer. Zodoende kreeg Antwerpen in 1521 een bureau voor niet-kerkelijke liefdadigheid, met de opdracht de behoeftigen thuis door huismeesters te doen bezoeken. Op die manier werd het Sint-Julianusgasthuis toevertrouwd aan de aalmoezeniers van de Armenkamer. Dat gebeurde niet zonder strubbelingen, de overdrachts-maatregel liep over verschillende jaren, van 1540 tot 1557, als gevolg van het verzoek van het stadsbestuur om bepaalde categorien bedevaarders de toegang tot het Gasthuis te ontzeggen. De godsdienstoorlogen brachten de gezagdragers ertoe het Gasthuis te verplichten pestlijders en later Spaanse soldaten te herbergen. Voorts is het van dan af verboden onderdak te verlenen aan pseudo-bedelaars, genoemd Rabauwen.

De onlusten die voortvloeiden uit de tegenstand tegen de Spaanse overheersing en het aanslepen van de Tachtigjarige Oorlog deden de miserie nog toenemen en putten de financies van de stichting behoorlijk uit. De Aalmoezeniers deden een beroep op de stedelijke overheid en stuurden een smeekschrift om de beheerskosten van het Gasthuis te dekken. Dat duurde tot wanneer op 4 april 1584 een zekere Knobbaert het bestuur van het Gasthuis in handen nam. Van die datum af tot het einde van de 16de eeuw werd het Gasthuis beheerd door de Armenkamer. Directie en beheer waren dan toevertrouwd aan een huisbewaarder, ook genaamd Ijzeren Knaap of Cipier. De Knaap stond onder het gezag van de Aalmoezenier. Hij oefende het toezicht over de bedelaars uit en had het recht alle bedelaars die niet in het bezit van een penning waren in het gevang (de Put) te steken. Hij moest de Aalmoezeniers op hun huisbezoeken vergezellen en hen 's avonds terug naar hun woonst brengen.

Tot dan toe gingen bedevaarders uitsluitend uit vroomheid op weg. Maar er werden ook mensen op bedevaart gestuurd, naar dezelfde oorden van gebed, ingevolge strafmaatregelen. Op die manier wilde de Kerk bepaalde hooggeplaatste mensen straffen, die als misdadigers buiten het bereik van de rechterlijke macht bleven. Zo gebruikte de Kerk de strafrecherlijke bedevaart als laatste wapen. Zo'n bedevaart verliep onder het strengste ascetisme. Met het gevolg dat er bij de pelgrims de beste naast de slechte individuen te vinden waren, echte vromen naast gestraften. Ten einde de rabauwen (nietsnutten en misdadigers van het gewoon recht) de pas af te snijden, vaardigde Aartshertog Albrecht in 1618 edicten uit die de veroordeelden de toegang en het logement ontzegden. Een maatregel die tot gevolg had dat er nu veel minder bedevaarders in het gasthuis konden komen logeren. Gezien de slechte tijd waren de beheerders van het Sint-Julianusgasthuis in 1702 wel wat opgelucht toen ze vernamen dat Bisschop Reginald Cools de leden van de Broederschap van Loreto toelating gegeven had het beheer van het Gasthuis waar te nemen. Die Broederschap telde toen 70 leden, die allen de pelgrimstocht naar Loreto hadden volbracht. De leden van de Broederschap van Loreto kenden zeer goed de moelijkheden van een bedevaart en de behoeften van bedevaarders in de vreemde. Zij waren dus wel de aangewezen beheerders van het Sint-Julianusgasthuis. Zij namen contact op met de Almoezeniers wat betreft de beschikking over de lokalen. Zij kregen ook de toelating van de Stad en gingen dan het beheer van het gasthuis waamemen. Door schenkingen droegen zij ertoe bij de tekorten te dekken.

Voor de bezoekers van het gasthuis brak toen een gelukkige tijd aan. De voeding werd aanzienlijk verbeterd, de reizigers werden veel milder bedeeld. Het eten werd overvloediger met soep, een half pond vlees, een kwart pond brood en een glas goed bier. Op Vastenavond kregen de disgenoten kaas, melk en vis van het seizoen. Bij zijn vertrek kreeg elke bedevaarder een viaticum (wat eten voor onderweg), een beetje geld en ook een certificaat om hem het onderdak in andere gasthuizen te vergemakkelijken. De Broederschap van Loreto groeide en bloeide, en weldra waren er bijna 700 leden. De bijdragen van de Loretanen werden ook gebruikt om de kapel en de lokalen beter in te richten en te bemeubelen.

In 1718 namen de Loretanen de traditie van de Pelgrimstafel weer op. Onder hun beheer werd de tafel gedekt op Witte Donderdag en Goede Vrijdag (twee maaltijden dus). In 1762 herstelden zij de gevel aan de Stoofstraat (die naam wordt hier voor het eerst vermeld) en richtten zij de Beyaertzaal in ( Beyaert = plaats in eene herberg, waar elk een den toegang heeft, of algemeene vergaderplaets waar geringen, zoo wel als aenzienlijken, onder malkander drinken, eten enz... - P. Weiland - Nederduits Letterk. woordenboek -In sommige steden wordt ook door Bejert de algemene ziekenkamer in een gasthuis verstaan ; cfr. StJuliaens Gasthuis te Antwerpen door P.Visschers, Priester. 1853.) waar een monumentale schouw werd aangebracht.

In 1772 kregen de Loretanen de toestemming (van wie?) om zelf de huisbewaarder aan te stellen, een recht dat tot dan toe de Armenkamer toekwam.

Op 8 april 1786 werd de Broederschap van Loreto bij Edict van Keizer Jozef II afgeschaft Zij probeerde het liefdadig werk Sint-Julianus in het klein voort te zetten. Op 29 maart 1790 herstelde de Brabantse Omwenteling de Loretanen in hun rechten. In 1791 ging de Broederschap over tot een grondige herstelling van de gevel die op de Sint-Jansvliet uitgeeft. Dat betekende een uitgave van 4000 gulden, bedrag dat volledig door de Armenkamer werd betaald en jaarlijks door de Broederschap van de Loretanen ingelost met het batig saldo van hun beheer. De deur van de voorgevel kant Sint-Jansvliet kreeg een bovenraam met de uitbeelding van het mirakel van het huis van Loreto. Van toen af heette het Gasthuis het Huis van Loreto.

De komst van de soldaten van de Republiek en de Franse bezetting in 1792 betekende het einde van de Broederschap. Het gasthuis werd in beslag genomen en opgeëist. Soldaten werden daar gelegerd en de Loretanen moesten op hun kosten onderdak verschaffen, ook buitenshuis, aan de beschermelingen van de bezetter.

De gouden en zilveren kerksieraden uit de kapel, schenkingen van de Loretanen, dienden in 1793 om een gedeelte van de tien miljoen frank belastingen te betalen die de bezetters Antwerpen hadden opgelegd. Toen de Belgische provincies eenmaal voorgoed ingelijfd waren, werden de republikeinse wetten van kracht en werd het Sint-Julianusgasthuis gesloten en de inboedel in beslag genomen.

Toen de Franse administratie na twee jaar in de gaten kreeg dat zij ten onrechte het beheer van de openbare liefdadigheid in handen van de staat gegeven had, werd bij wet van de 16e Vendemiaire jaar V (7 oktober 1796) besloten de openbare liefdadigheid in handen van de gemeenten te geven en werden de Bureaus van Openbare Onderstand ingesteld.

De Franse burgerlijke overheid had het laatste woord, de kapel werd definitief gesloten op 27 September 1796 en het gasthuis op 14 oktober van dat jaar. Op 19 december 1798 werd de kapel verkocht aan een zekere Morand die ze overmaakte aan ene Lembrechts die er een magazijn van maakte. De kapel werd pas in 1958 in ere hersteld, na restaurering.

De ruimten van het Gasthuis vonden geen koper, ze werden zes jaar lang verhuurd aan de genaamde Mennes, een meubelmaker, die ze doorverhuurde aan een zekere Dueren (bijgenaamd de Baron) die er feesten en danspartijen inrichtte. Dat was een abnormale toestand, maar spoedig ging men terug aanknopen bij de oude tradities.

Jacques Brants, oud-prefect van de Loretanen knoopte kennis aan met de prefect van het departement der Twee Neten, Charles d'Herbouville. Gelukkig trof hij in die hoge ambtenaar van de Republiek een waardige gesprekspartner aan. Daar ze gemeenschappelijke voorliefdes bij elkaar ontdekt hadden (vooral voor anjers) konden ze na een toevallige ontmoeting en een wandeling over de wallen van de stad gemakkelijk vriendschap sluiten. De twee mannen waren nader tot elkaar gekomen en de gevolgen lieten niet op zich wachten. Brants wist zijn zaak nadrukkelijk te bepleiten en hij vond bij d'Herbouwille een willig oor. Geen twee weken na Brants' vraag, op 12 augustus 1800, werd de zaak aan de bevoegde administratieve commissie voorgelegd en op 6 september 1800 kon d'Herbouwille bij gunstmaatregel Sint-Julianus terug overdragen aan de administratie van de Gasthuizen en zo de fout van vier jaar daarvoor herstellen. De voormalige beheerders werden weerom in hun functie hersteld en zodoende kon Brants op 14 oktober 1800 het Gasthuis terug openen, evenwel zonder de kapel, een nieuw reglement in de hand.

Vader Brants werd directeur en hij had het genoegen de oude instelling terug te zien opbloeien. Pasen 1816 werd de Pelgrimstafel opnieuw gedekt in de zaal op het gelijkvloers aan de noordzijde van de binnenplaats, die als kapel was ingericht, en zo werd een traditie weer opgenomen die sinds de Brabantse Revolutie onderbroken was geweest. De administratie van de gasthuizen stelde twaalf beheerders aan, de meesten waren oud-Loretanen. Die twaalf kregen elk een dag toegewezen op dewelke zij dienst moesten doen. Dat systeem werd later gewijzigd in dienstweken, zoals de oudste thans in funktie zijnde directeurs zich zullen herinneren.

De stijging van de bevolking, de industriële boom als gevolg van het gebruik van de stoommachine, de toename van het vervoer, dat alles droeg bij tot de verdere ontwikkeling van de stad. Dat bracht dan weer een regelmatige stijging van het aantal te herbergen reizigers mee. En dat waren lang niet allemaal pelgrims. De vreselijke cholera- epidemieën die ons land in de jaren 1832-33, 1849, 1853-54, 1859 en 1866-67 troffen, noopten het bestuur van de gasthuizen veel wezen, kinderen van de slachtoffers der epidemieën, in de tehuizen onder te brengen om ze uit de besmette plaatsen weg te halen. Zo diende Sint-Julianus als afzonderingstehuis, vooral in de periode augustus-oktober 1859 en ook in 1866, toen 285 kinderen en volwassenen in de afzondering gehouden werden.

Op 15 augustus 1903 werd de zeshonderste verjaring van de stichting luisterrijk gevierd, o.a. met het aanbrengen van een bronzen plaat in hoog relief (werk van beeldhouwer A. Pierre) aangebracht aan een muur op de binnenplaats, die een bedevaarder op trektocht voorstelt, barrevoets, pelgrimsstaf en een kalebas in de hand.

In de jaren 1956-58 werd de originele kapel van het gasthuis gerestaureerd. Voortaan zou de pelgrimstafel, gedekt op Witte Donderdag, vooraf te bezichtigen zijn door een alsmaar groter aantal bezoekers.

Was de activiteit van het Gasthuis en vooral het aantal arme passanten gedurende het laatste kwart van de negentiende eeuw erg toegenomen, dan was dat vooral te wijten aan de economische crisis die ons land toen teisterde en die het pauperisme vooral rond de jaren 1870 erg deed toenemen. Omgekeerd was het aantal eigenlijke pelgrims toen sterk afgenomen. Bedevaarden te voet naar de heilige plaatsen waren immers in Europa als traditie in onbruik geraakt sinds de het ontstaan van spoorweg, autobus en vliegtuig. Dat snelle vervoer heeft de bedevaarten volledig getransformeerd en vooral het verblijf in gasthuizen overbodig gemaakt.

Afgezien van die evolutie is de activiteit van het Gasthuis sinds het begin van de twintigste eeuw ook door andere oorzaken geleidelijk afgenomen, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Dat ligt aan de verbetering van de levensvoorwaarden zo goed als aan de vermindering van de stedelijke bevolking, aan de inkrimping van de armoede als gevolg van de invoering van de sociale zekerheid.

Daar waar vroeger onderdak en voedsel werd verleend aan mannen (max.7), vrouwen (max.6), en priesters (max.2), kregen na 1945 alleen vrouwen (max. 3) nog onderkomen in het St. Julianus Gasthuis. In verband met de brandveiligheid werd ook deze aktiviteit stopgezet in 1982.

brons.jpg (34740 bytes)

 

terugtop.gif (214 bytes)       
Terug naar boven

5. De Pelgimstafel (of baroktafel) van Antwerpen.

De oorssprong van de Pelgrimstafel in het Sint-Julianusgasthuis staat niet vast. De oud-archivaris van de Burgerlijke Godshuizen van Antwerpen, de Heer E.Geudens, is met zijn opzoekingen tot de slotsom gekomen dat de Witte Donderdag-traditie in Sint-Julianus teruggaat tot de tweede helft van de 15e eeuw. In een studie noteert hij dat een bepaalde gewoonte bij de meeste Fondaties erg in zwang was, nl. een gratis maaltijd opdienen aan een vast aantal behoeftigen. Sommige stichtingen bepaalden dat aantal op 12 of 13 en legden het tijdstip voor die liefdadige en symbolische maaltijd in de Goede Week.

Uit de kroniek van de Heilige Geestkamer van Onze-Lieve-Vrouwkerk te Antwerpen (de kathedraal dus) blijkt dat een zekere Mickaert een rente had uitgetrokken om in de Goede Week driehonderd broden te laten uitdelen aan de armen van Schoten. Reeds in 1451 had Jan Pot schikkingen getroffen om op Sint-Jan dertien armen een maaltijd voor te zetten. In 1540 deden de kinderen Ballinckx een schenking om een rente van 10 schellingen te kunnen uitkeren, de helft op Goede Vrijdag, de andere helft op Allerheiligen.

In Rupelmonde heeft sedert 1561 op Witte Donderdag, de wijding plaats van het mandaatbrood Tijdens deze plechtigheid worden in de kerk de voeten gewassen van 12 apostelen, hier voorgesteld door 12 jongens. Na deze kerkelijke plechtigheid worden de gewijde stukken brood apostelbrokken genoemd, vanuit een venster van het stadhuis, naar de verzamelde menigte toegeworpen.

In Antwerpen, bezet door een Spaans garnizoen, was het een officier van Filips II die het initiatief tot de stichting van de Pelgrimstafel nam. E.Geudens vermeldt immers een Kapitein d'Areste, die in 1556 aan de armen 15 pond en een schelling legateerde op voorwaarde dat op elke Goede Vrijdag voor Pasen, dertien arme lieden een maaltijd aangeboden kregen en bovendien nog een stuiver. Het staat wel vast dat de voorwaarden door d'Areste gesteld, het best overeenstemmen met wat men later van de Pelgrimstafel gemaakt heeft. In den beginne werd de Pelgrimstafel echter niet alle jaren gedekt. Maar in elk geval bestond de gedachte aan liefdadige hulpverlening, zoals we gezien hebben, door het tot stand komen van verschillende Fondaties en zij hield stand ook al wordt zij in bepaalde jaren niet in acht genomen. Maar het blijkt wel dat sinds 1702, toen de Loretanen, het beheer van het Gasthuis weer op zich namen, de materiële toestand zeer verbeterd was door de schenkingen die de leden van de broederschap ingezameld hadden: de Pelgrimstafel krijgt een nieuwe luister.

boterbeeld.gif (34735 bytes)

Het heeft zijn belang te noteren dat een van de Loretanen, Jan Baptist Baillieu, verschillende beelden schonk die nu nog altijd voor de Tafel van de Witte Donderdag worden gebruikt.We weten ook dat de gewoonte om die beelden te bedekken met een laag boter, dateert uit de eerste jaren van de 17e eeuw, al is het onmogelijk de juiste begindatum van die praktijk vast te stellen. We vermeldden reeds dat het voedselregime werd verbeterd en dat de Tafel sinds dan met wat meer luxe werd gedekt.

De Loretanen deden een beroep op beroemde beeldhouwers om een serie beelden van Christus te bekomen m.b.t. zijn leven en martelaarschap (beelhouwer Walter Pompe). Zij besloten nu ook de Tafel twee achtereenvolgende dagen, Witte Donderdag en Goede Vrijdag, aan de aanwezige pelgrims en armen te presenteren. En wel omdat de goede lieden, de kerken en altaren bezochten op Goede Vrijdag. Dat bezoek gebeurt nu op Witte Donderdag.

Spijts de onbetwistbare bloei op het einde van de 17e eeuw, werd de Tafel niet alle jaren opgesteld. De Franse bezetting maakte in 1796 voor een tijd een eind aan al die mildheid in de Goede Week. Het duurde tot 1816 tot het Bureel van Weldadigheid de tradite van de pelgrimstafel terug in eer herstelde. Ze bleef gehandhaafd tot 1845.

Het schijnt dat er toen een beroep gedaan werd op de commissie der Gasthuizen wat betreft de hoofdtaak - de hulpverlening aan een altijd maar toenemend aantal armen en aan behoeftige reizigers -en dat de traditie van de Pelgrimstafel tijdelijk onderbroken werd.

In 1853 werd de traditie dan hernomen en twaalfbedevaarders die de reis naar Rome gedaan hadden, mochten aanzitten aan de tafel die gewoontegetrouw gedekt was; 's anderendaags, op Goede Vrijdag, waren er dertien disgenoten en samen met de directeurs maakten zij een bedevaart, een soort boetprocessie vanuit de Sint-Joriskerk, langsheen de stadswallen. Zo werd de driehonderste verjaring van de Tafel gevierd.

Gedurende de twee wereldoorlogen werd de Pelgrimstafel niet gedekt In 1945 werd tot vreugde van velen de oude traditie weer in ere hersteld. Na de restauratie van de originele kapel in 1958, werd zij terug aan de Stichting toegevoegd en werd de tafel er ieder jaar op Witte Donderdag weer gedekt

De Commissie van Openbare Onderstand (nu O.C.M.W.), eigenaar van het gebouw, heeft de eeuwenoude tradities geëerbiedigd en het beheer van het Gasthuis en van de Tafel toevertrouwd aan een Raad van twaalf leden.

Die raadslieden zijn vermogende burgers. Ze nemen het beheer van het Gasthuis waar. Ze staan zelf in voor alle kosten, waken over de toepassing van het binnenhuisreglement en houden de traditie van de Pelgrimstafel in stand. Ze nodigen U trouwens uit die Tafel op het geschikte tijdstip te komen bezichtigen.

Tegenwoordig wordt de tafel gedekt in de oude kapel van het Gasthuis; die werd wel gerestaureerd maar er worden geen diensten meer gehouden. De tafel is gedekt voor twaalf genodigden (waardige, niet noodzakelijk behoeftige oude lieden) die op de avond van Witte Donderdag bij gesloten deuren de visschotels (geen vlees, wegens de Vasten) die door Antwerpse restaurateurs en vishandelaars geschonken worden, komen nuttigen.

Een Christusbeeld, gekozen uit de verzameling van Sint-Julianus, prijkt midden op tafel en is, volgens de traditie van het huis, met boter ingesmeerd.

Ondanks de vooruitgang van rationalistische denkbeelden en als gevolg van de modernisering van de cultus na Vaticanum II is in onze gewesten de gewoonte om met Pasen altaren te bezoeken niet verloren gegaan en geldt het bezoek aan de Pelgrimstafel van het Sint-Julianusgasthuis nog altijd als een teken van belangstelling voor een vroom en liefdadig werk.

terugtop.gif (214 bytes)       
Terug naar boven