|
|
| Martine
Delorge, Bernard De Clerck & Timothy Colleman
'Voorzien'werkwoorden in het
Engels en het Nederlands. Een constrastieve, corpusgebaseerde analyse.
Zowel
in
het
Nederlands als in het Engels worden werkwoorden van
bezitsoverdracht (‘geven’-werkwoorden) meestal aangetroffen in twee
constructietypes: (i) de dubbelobject-constructie die zowel patiens als
recipiens als object codeert en (ii) de prepositioneel-datieve
constructie die het patiens als object codeert en het recipiens als
oblieke constituent. Constructies met enkel het recipiens als object
zijn bij de overgrote meerderheid van de Engelse en Nederlandse
werkwoorden van bezitsoverdracht geen optie. Er zijn echter een aantal
lexicale uitzonderingen (zie Levin 1993, Mukherjee 2001, De Schutter
1974, Colleman 2006, e.a.). In deze paper willen we de aandacht
vestigen op een aantal zulke uitzonderingen vanuit een contrastieve
invalshoek en vergelijken we de structurele mogelijkheden en de
frequentie hiervan in het Engels en het Nederlands. Aansluitend zoeken
we ook naar verklaringen voor de verschillen in frequentie.
full
text
(up)
|
| Gunther De Vogelaer
Innovative 2pl.-pronouns in English and Dutch. 'Darwinian' or
'Lamarckian' change ?
Both in English and in Dutch the former 2pl.
pronoun has (also) become a 2sg. form, giving rise to so-called
‘horizontal homophony’ (Cysouw 2003). In contemporary varieties of both
languages, however, innovative 2pl. pronouns have caused the homophony
to disappear. This paper argues that the mere emergence of these
pronouns is not a means of restoring the number distinction in the
second person. Their rapid diffusion, however, cán be attributed
to their non-ambiguous status (contra Croft 2000).
full
text
(up)
|
| Andreas
Jäger
Grammaticalization paths of periphrastic 'do'-constructions.
This
study
demonstrates
cross-linguistic parallels in the grammaticalization
of ‘do’-auxiliaries in periphrastic verb constructions. Such
constructions are exemplified by the phenomenon of ‘do’-support in
English, where they are obligatory in interrogative and negative
clauses. Similar phenomena can be attested across a wide range of
genetically and typologically diverse languages. The auxiliary in
periphrastic ‘do’-constructions is derived from a ‘schematic action’
verb that can either be directly associated with a specific function,
or it appears in the clause as a consequence of other grammatical
factors. Based on a sample of 200 languages I will argue that
periphrastic ‘do’-constructions become grammaticalized in a limited
range of grammatical context after going through a stage of optional
usage, and also that direct expression of a verbal category by a
‘do’-auxiliary represents a possible final stage of grammaticalization
of the ‘schematic action’-verb. The verbal categories expressed by such
an element are restricted to a subsection of tense, aspect and mood. If
in a given language the use of a ‘do’-auxiliary has become obligatory
in association with other functions, the auxiliary will not
grammaticalize further and continues as a semantically bleached dummy
element. Tense, aspect and mood are therefore the only functional
domains in which ‘do’-auxiliaries can become grammaticalized as
meaningful elements.
full
text
(up)
|
| Willy Vandeweghe
Ultimatieve en negatief gebonden of-constructies.
Dutch
has
two
compound-complex sentence constructions with of, which is not
the usual homonymous disjunctive connective meaning ‘or’. These
constructions are characterized by irreversibility, and a specific
pragmatic meaning. One of these is a negatively bound construction,
characterized by negation or restriction in the first part. The other
one is bound by deontic modality in the first part, and is ultimative
in meaning. When the latter also contains a negation, it may be hard to
keep both constructions apart. This paper deals with the distinctive
characteristics of both constructions, the negatively bound and the
ultimative one.
full
text
(up)
|
| Kristel Van Goethem
De rol van scheidbaarheid bij
de indeling tussen samengestelde en afgeleide werkwoorden in het
Nederlands.
In
vele
Nederlandse
morfologiestudies valt het onderscheid tussen
samengestelde en afgeleide werkwoorden samen met de oppositie tussen
scheidbare en onscheidbare werkwoorden. In de categorie “afgeleide
werkwoorden” worden enkel de onscheidbare werkwoorden zoals
aanváarden en onderdrúkken geklasseerd, terwijl de
scheidbare complexe verba zoals óphelderen en
úithuwelijken ofwel als samenstellingen ofwel als een
tussenliggende categorie tussen samenstellingen en syntactische groepen
worden behandeld. In ons doctoraatsonderzoek hebben we ons toegelegd op
de studie van werkwoorden ingeleid door een element van prepositionele
vorm (op-eten, door-lopen, etc.) en hebben we een typologie opgesteld
van de verschillende preverbale constructies van het Nederlands. Op
basis van semantische en morfo-syntactische grammaticalisatieparameters
kunnen we compositionele (namelijk relationele en predicatieve)
preverbale constructies en derivationele preverbale constructies
onderscheiden. Opvallend is echter dat deze indeling niet volledig
samenvalt met het onderscheid scheidbaar/onscheidbaar werkwoord:
samengestelde werkwoorden ingeleid door een voorzetsel of achterzetsel
kunnen scheidbaar (bv. een hoed ópzetten) of onscheidbaar (bv.
de hele stad doorlópen) zijn, samengestelde werkwoorden ingeleid
door een predicatief bijwoord zijn altijd scheidbaar (bv. de bal
ópgooien) en de prefixale of derivationele constructies zijn
scheidbaar (bv. een vriend ópvrolijken) of onscheidbaar (bv. de
puppy’s overvóeden). In onze bijdrage zullen we dieper ingaan op
de interactie tussen het traditionele criterium van (on)scheidbaarheid
enerzijds en de semantische en morfosyntactische parameters die de
afbakening tussen lexeem (voorzetsel, achterzetsel of bijwoord) en
voorvoegsel aangeven anderzijds.
full
text
(up)
|
| Tom
Smits
Structurele dynamiek in
grensdialecten: Winterswijk (NL) vs. Vreden (D)
In
een
begin 2007
afgeronde socio-dialectologische studie (Smits 2007) werd nagegaan of
aan de Nederlands-Duitse staatsgrens een intensifiëring van
structurele dialectverschillen kon worden waargenomen. Er kan namelijk
van worden uitgegaan dat de staatsgrens een breuk in het
continentaal-West-Germaanse dialectcontinuüm vormt, waarbij
dialectale structuurverandering aanleiding geeft tot dialectdivergentie
over de taalgrens heen. Het onderzoek maakte gebruik van fonologische,
morfologische en syntactische variabelen en testte de dialectkennis van
een evenredig aantal mannelijke, vrouwelijke, oudere (55+) en jongere
(45-) competente, vlotte dialectsprekers (n=40) uit de buursteden
Winterswijk (NL) en Vreden (D). A.h. v. de gehanteerde
apparenttime-onderzoeksmethode kon zogenaamde
grensoverschrijdende dialectdivergentie worden aangetoond die leidt tot
de consolidatie van een structuurbreuk op dialectniveau langs de grens.
De
inleiding
bevat
een bondig historisch overzicht over de ontwikkeling van de
Nederlands-Duitse taalgrens. De methodologische paragraaf 2 belicht
naast de onderzoekshypotheses ook de praktische vormgeving van het
onderzoek. In de volgende paragraaf (3) worden de resultaten toegelicht
met betrekking tot de structuur van de dialecten. Ten slotte worden uit
deze resultaten een aantal conclusies getrokken ten aanzien van de
grens tussen het Nederlandse en het Duitse taalgebied.
full
text
(up)
|
|
|