UNIDROIT BEGINSELEN VAN INTERNATIONALE HANDELSOVEREENKOMSTEN

Dit is de nederlandse tekst van de bepalingen, zonder de kommentaar. Een volledige nederlandse vertaling is verschenen bij Vermande in 1997
© Copyright M.E. Storme & N. Frenk


BEGINSELEN VAN INTERNATIONALE HANDELSOVEREENKOMSTEN


PREAMBULE
(Doel van de beginselen)

Deze beginselen bevatten algemene regels voor internationale handelsovereenkomsten.
Zij vinden toepassing indien partijen dit bij overeenkomst zijn overeengekomen.
Zij kunnen worden toegepast indien partijen zijn overeen-gekomen dat op hun overeenkomst algemene rechtsbeginselen, de "lex mercatoria" of dergelijke van toepassing zijn.
Zij kunnen dienen als oplossing voor vragen die rijzen indien het onmogelijk blijkt de relevante regel van het toepasselijk recht vast te stellen.
Zij kunnen worden gebruikt om regels van eenvormig internationaal recht uit te leggen of aan te vullen.
Zij kunnen dienen als model voor nationale en internationale wetgevers.


HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN


Artikel 1.1
(Contractsvrijheid)

Partijen zijn vrij een overeenkomst te sluiten en de inhoud daarvan te bepalen.


Artikel 1.2
(Geen vormvereiste)

Deze beginselen vereisen niet dat een overeenkomst schriftelijk wordt gesloten of door geschrift wordt bewezen. Zij kan worden bewezen door alle middelen, getuigen inbegrepen.


Artikel 1.3
(Bindende kracht van de overeenkomst)

Een geldig aangegane overeenkomst bindt de par-tijen. Zij kan slechts worden gewijzigd of beëindigd in overeenstemming met haar bepalingen, door onderlinge overeenstemming of op een andere door deze beginselen bepaalde wijze.


Artikel 1.4
(Dwingende bepalingen)

Deze beginselen houden geen beperking in van de toepassing van dwingende regels van nationale, internationale of supranationale oorsprong die van toepassing zijn krachtens de relevante bepalingen van internationaal privaatrecht.


Artikel 1.5
(Uitsluiting of wijziging door partijen)

Partijen kunnen de toepassing van deze beginselen uitsluiten, of van elk van haar bepalingen afwijken of het gevolg daarvan wijzigen, tenzij de beginselen anders bepalen.


Artikel 1.6
(Uitleg en aanvulling van de beginselen)

(1) Bij de uitleg van deze beginselen dient rekening te worden gehouden met hun internationale karakter en met hun doelstellingen, waaronder de noodzaak om de eenvormigheid in de toepassing ervan te bevorderen.
(2) Vragen die binnen het toepassingsgebied van deze beginselen vallen maar er niet uitdrukkelijk in zijn geregeld, dienen zoveel mogelijk te worden beslist in overeenstemming met de beginselen die eraan ten grondslag liggen.


Artikel 1.7
(Goede trouw)

(1) Iedere partij dient zich te gedragen overeenkomstig de in de internationale handel geldende eisen van goede trouw.
(2) Partijen kunnen deze verplichting niet uitsluiten of beperken.


Artikel 1.8
(Gewoonten en handelwijzen)

(1) Partijen zijn gebonden door iedere gewoonte waarmee zij hebben ingestemd en door iedere handelwijze die tussen hen gebruikelijk is.
(2) Partijen zijn gebonden door een gewoonte die in de internationale handel tussen partijen in de betrokken handelsbranche algemeen bekend is en op grote schaal wordt toegepast, tenzij de toepassing van een dergelijke gewoonte onredelijk zou zijn.


Artikel 1.9
(Kennisgeving)

(1) Indien een kennisgeving is vereist, dan kan zij geschieden op elke in de omstandigheden passende wijze.
(2) Een kennisgeving heeft werking waanner zij de persoon heeft bereikt aan wie ze is gericht.
(3) Voor de toepassing van het tweede lid "bereikt" een kennisgeving een persoon wanneer zij hem mondeling is medegedeeld of hem wordt bezorgd op zijn plaats van vestiging of postadres.
(4) Voor de toepassing van dit artikel omvat een "kennisgeving" een verklaring, een verzoek, een eis of iedere andere wilsuiting.


Artikel 1.10
(Begripsbepalingen)

In deze beginselen
- omvat "rechter" tevens een arbiter;
- is de relevante "plaats van vestiging" in het geval een partij meer dan één plaats van vestiging heeft, de plaats die, gelet op de omstandigheden die bij de partijen bekend zijn of die zij op het oog hadden voor of bij het sluiten van de overeenkomst, het nauwst verbonden is met de overeenkomst en de nakoming daarvan;
- verwijst "schuldenaar" naar de partij die de verbintenis moet nakomen en verwijst "schuldeiser" naar de partij die recht heeft op de nakoming van die verbintenis;
- betekent "geschrift" ieder vorm van mededeling waarbij de informatie bewaard wordt op een wijze die een weergave in tastbare vorm mogelijk maakt.



HOOFDSTUK 2

TOTSTANDKOMING


Artikel 2.1
(Wijze van totstandkoming)

Een overeenkomst kan worden gesloten door de aanvaarding van een aanbod of door gedragingen van partijen waaruit op voldoende wijze overeenstemming blijkt.


Artikel 2.2
(Definitie van een aanbod)

Een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst is een aanbod indien het voldoende is bepaald en blijkt geeft van de wil van de aanbieder om in geval van aanvaarding gebonden te zijn.


Artikel 2.3
(Intrekking van een aanbod)

(1) Een aanbod heeft werking wanneer het de wederpartij bereikt.
(2) Een aanbod kan, zelfs indien het onherroepelijk is, worden ingetrokken indien de intrekking de wederpartij eerder dan of gelijktijdig met het aanbod bereikt.


Artikel 2.4
(Herroeping van een aanbod)

(1) Totdat een overeenkomst is gesloten kan een aanbod worden herroepen indien de herroeping de wederpartij heeft bereikt voordat deze een aanvaarding heeft verzonden.
(2) Een aanbod kan echter niet worden herroepen
(a) indien het een termijn voor aanvaarding inhoudt of op een andere wijze de onherroepelijkheid aangeeft; of
(b) indien het redelijk was voor de wederpartij erop te vertrouwen dat het aanbod onherroepelijk was en zij in vertrouwen op het aanbod heeft gehandeld.


Artikel 2.5
(Verwerping van een aanbod)

Een aanbod vervalt wanneer een verwerping de aanbieder bereikt.


Artikel 2.6
(Wijze van aanvaarding)

(1) Een verklaring door of een andere gedraging van de wederpartij waaruit de instemming met een aanbod blijkt, is een aanvaarding. Stilzwijgen of stilzitten geldt op zichzelf niet als een aanvaarding.
(2) Een aanvaarding van een aanbod heeft werking wanneer zij de aanbieder bereikt.
(3) Kan evenwel krachtens het aanbod of een tussen partijen bestaande handelwijze of gewoonte, de wederpartij haar instemming doen blijken door het verrichten van een handeling zonder kennisgeving aan de aanbieder, dan heeft een aanvaarding werking op het tijdstip waarop de handeling wordt verricht.


Artikel 2.7
(Termijn voor aanvaarding)

Een aanbod moet worden aanvaard binnen de door de aanbieder gestelde termijn of, indien geen termijn is gesteld, binnen een redelijke termijn gelet op de omstandigheden, waaronder de snelheid van het communicatiemiddel waarvan de aanbieder zich bedient. Tenzij uit de omstandigheden anders volgt, moet een mondeling aanbod onmiddellijk worden aanvaard.


Artikel 2.8
(Aanvaarding binnen een gestelde termijn)

(1) Een door de aanbieder in een telegram of brief gestelde termijn voor aanvaarding gaat in op het tijdstip waarop het telegram is aangeboden voor verzending of op de dag waarop de brief is gedateerd of, indien een datering ontbreekt, op de datum van het postmerk op de briefomslag. Een door de aanbieder bij wijze van onmiddellijke communicatie gestelde termijn van aanvaarding gaat in op het tijdstip waarop het aanbod de wederpartij bereikt.
(2) Officiële feestdagen of vrije dagen die vallen binnen de termijn voor aanvaarding zijn bij de berekening van deze termijn inbegrepen. Kan echter een kennisgeving van aanvaarding niet op het adres van de aanbieder worden afgegeven op de laatste dag van deze termijn omdat deze dag op de plaats van vestiging van de aanbieder een officiële feestdag of vrije dag is, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.


Artikel 2.9
(Verlate aanvaarding. Vertraging in overbrenging)

(1) Een te late aanvaarding geldt niettemin als aanvaarding indien de aanbieder dit de wederpartij onverwijld mee-deelt of een hiertoe strekkende kennisgeving verzendt.
(2) Blijkt uit een brief of een ander geschrift dat een te late aanvaarding bevat, dat het is verzonden onder zodanige omstandigheden dat bij normale overbrenging het de aanbieder tijdig zou hebben bereikt, dan geldt de te late aanvaarding als aanvaarding, tenzij de aanbieder de wederpartij onver-wijld meedeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt.


Artikel 2.10
(Intrekking van aanvaarding)

Een aanvaarding kan worden ingetrokken indien de intrekking de aanbieder bereikt voor of op het tijdstip waarop de aanvaarding werking zou hebben.


Artikel 2.11
(Gewijzigde aanvaarding)

(1) Een antwoord op een aanbod dat tot aanvaarding strekt maar aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen bevat, is een verwerping van het aanbod en geldt als een tegenaanbod.
(2) Bevat een antwoord op een aanbod dat tot aanvaarding strekt aanvullingen of afwijkingen die de voorwaarden niet wezenlijk wijzigen, dan geldt dit als een aanvaarding, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen. Maakt de aanbieder geen bezwaar, dan is de inhoud van de overeenkomst de inhoud van het aanbod zoals gewijzigd door de aanvaarding.


Artikel 2.12
(Geschriften ter bevestiging)

Bevat een binnen redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst verzonden geschrift dat strekt tot bevestiging van de overeenkomst, aanvullingen of afwijkingen, dan worden deze voorwaarden inhoud van de overeenkomst, tenzij deze de overeenkomst wezenlijk wijzigen of de ontvanger onver-wijld bezwaar maakt tegen deze verschillen.


Artikel 2.13
(Sluiten van de overeenkomst afhankelijk van overeenstemming over bepaalde zaken of in een bepaalde vorm)

Staat een van de partijen er tijdens de onderhandelingen op dat de overeenkomst niet is gesloten voordat er overeenstemming is over bepaalde zaken of in een bepaalde vorm, dan is er geen overeenkomst gesloten voordat er overeenstemming is over deze zaken of in deze vorm.


Artikel 2.14
(Overeenkomst met bewust opengelaten bepalingen)

(1) Aan de totstandkoming van een overeenkomst staat niet in de weg het feit dat partijen die de bedoeling hebben een overeenkomst te sluiten bewust een bepaling overlaten aan overeenstemming in nadere onderhandelingen of aan de vaststelling door een derde.
(2) De totstandkoming van een overeenkomst wordt niet aangetast doordat nadien
(a) partijen over de bepaling geen overeenstemming bereiken; of
(c) de derde de bepaling niet vaststelt,
mits er gelet op de bedoeling van de partijen een in de gege-ven omstandigheden redelijke andere wijze is om de bepaling vast te stellen.


Artikel 2.15
(Onderhandelingen in strijd met de goede trouw)

(1) Partijen zijn vrij om te onderhandelen en zijn niet aansprakelijk voor het niet bereiken van overeenstemming.
(2) Een partij die echter in strijd met de goede trouw onderhandelt of onderhandelingen afbreekt is aansprakelijk voor de schade die de andere partij dientengevolge lijdt.
(3) Het is in het bijzonder in strijd met de goede trouw om onderhandelingen te beginnen of voort te zetten met de bedoeling om met de wederpartij geen overeenstemming te bereiken.


Artikel 2.16
(Geheimhoudingsplicht)

Wordt tijdens onderhandelingen door een partij informatie als zijnde vertrouwelijke gegeven, dan heeft de wederpartij de verplichting deze informatie niet openbaar te maken of oneigenlijk voor eigen doelen te gebruiken, ongeacht of er vervolgens al dan niet een overeenkomst wordt gesloten. Bij overtreding van deze verplichting kan indien passend schadevergoeding worden gevorderd ter grootte van de winst die de wederpartij daardoor heeft genoten.


Artikel 2.17
(Vierhoekenbedingen)

Een schriftelijke overeenkomst met een beding dat het geschrift volledige voorwaarden bevat waarover partijen overeenstemming hebben bereikt, kan niet worden weersproken of aangevuld door het bewijs van eerdere verklaringen of overeenstemmingen. Wel kunnen dergelijke verklaringen of overeenstemmingen dienen om het geschrift uit te leggen.


Artikel 2.18
(Schriftelijke wijzigingsbedingen)

Een schriftelijke overeenkomst met een beding dat iedere wijziging of beëindiging door overeenstemming schriftelijk dient plaats te vinden, kan niet op andere wijze worden gewij-zigd of beëindigd. Een partij kan echter door haar gedraging het recht verwerken een beroep te doen op een dergelijk beding voor zover de wederpartij in vertrouwen op die gedraging heeft gehandeld.


Artikel 2.19
(Algemene voorwaarden)

(1) Gebruiken één of beide partijen algemene voorwaarden bij het sluiten van een overeenkomst, dan gelden de algemene regels betreffende de totstandkoming, met inachtneming van de artikelen 2.20-2.22.
(2) Algemene voorwaarden zijn bedingen die vooraf zijn opgesteld voor algemeen en herhaaldelijk gebruik door een partij en daadwerkelijk worden gebruikt zonder onderhandelingen met de wederpartij.


Artikel 2.20
(Verrassende bedingen)

(1) Een beding in algemene voorwaarden dat van dien aard is dat de wederpartij het redelijkerwijs niet kon ver-wachten, is niet bindend, tenzij de wederpartij het uitdrukkelijk heeft aanvaard.
(2) Bij de beoordeling of een beding van dien aard is dient te worden gelet op de inhoud, verwoording en presen-tatie ervan.


Artikel 2.21
(Strijd tussen algemene voorwaarden en andere voorwaar-den)

Bij strijd tussen een beding uit algemene voorwaarden en een ander beding heeft dit laatste voorrang.


Artikel 2.22
(Strijdige algemene voorwaarden)

Gebruiken beide partijen algemene voorwaarden en bereiken zij behalve over deze voorwaarden overeenstemming, dan is een overeenkomst tot stand gekomen op grond van de voorwaarden waarover overeenstemming is bereikt en van die bedingen uit de algemene voorwaarden die in essentie overeenstemmen, tenzij één partij vooraf duidelijk aangeeft, of nadien onverwijld de wederpartij meedeelt, dat zij niet gebonden wil zijn door een zodanige overeenkomst.




HOOFDSTUK 3

GELDIGHEID


Artikel 3.1
(Niet geregelde onderwerpen)

Deze beginselen hebben geen betrekking op de ongeldigheid van overeenkomsten ten gevolge van
(a) het ontbreken van bekwaamheid;
(b) het ontbreken van bevoegdheid;
(c) strijd met de goede zeden of de wet.


Artikel 3.2
(Geldigheid door enkele overeenstemming)

Een overeenkomst wordt zonder verdere vereisten gesloten, gewijzigd of beëindigd door de enkele overeenstemming van partijen.


Artikel 3.3
(Aanvankelijke onmogelijkheid)

(1) Het enkele feit dat bij het sluiten van de overeenkomst de nakoming van de aangegane verbintenis onmogelijk is, tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.
(2) Het enkele feit dat bij het sluiten van de overeenkomst een partij niet bevoegd was te beschikken over de goederen waarop de overeenkomst betrekking heeft, tast de geldigheid van de overeenkomst niet aan.


Artikel 3.4
(Definitie van dwaling)

Dwaling is een onjuiste voorstelling van zaken met be-trekking tot feiten of het recht die bestaan bij het sluiten van de overeenkomst.


Artikel 3.5
(Relevante dwaling)

(1) Een partij kan een overeenkomst slechts wegens dwaling vernietigen indien bij het sluiten van de overeenkomst de dwaling van zodanig gewicht was dat een redelijk persoon in dezelfde omstandigheden als de dwalende de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken alleen onder wezenlijk andere voorwaarden had gesloten of deze in het geheel niet had gesloten, en
(a) de wederpartij in dezelfde dwaling verkeerde, de dwaling veroorzaakte, of wist of behoorde te weten van de dwaling en het in strijd was met de eisen van goede trouw in het handelsverkeer om de dwalende in dwaling te laten, of
(b) de wederpartij op het tijdstip van vernietiging niet in vertrouwen op de overeenkomst heeft gehandeld.
(2) Een partij kan een overeenkomst echter niet vernietigen indien
(a) de dwaling door eigen grove nalatigheid is begaan; of
(b) de dwaling betrekking heeft op zaken waarvoor het risico van dwaling was aanvaard of, gezien de omstandigheden, voor rekening van de dwalende behoort te blijven.


Artikel 3.6
(Vergissing bij verwoording of overbrenging)

Een vergissing in een verklaring of in de overbrenging daarvan wordt beschouwd als een dwaling van de partij van wie de verklaring afkomstig is.


Artikel 3.7
(Vorderingen bij niet-nakoming)

Een partij kan een overeenkomst niet wegens dwaling vernietigen indien de omstandigheden waarop zij vertrouwde haar een vordering wegens een tekortkoming verleent of kon hebben verleend.


Artikel 3.8
(Bedrog)

Een partij kan een overeenkomst vernietigen indien zij door de wederpartij tot het sluiten van de overeenkomst is bewogen door een opzettelijk onjuiste mededeling, daaronder begrepen bewoordingen of gedragingen, of een opzettelijke verzwijging van omstandigheden die de wederpartij overeenkom-stig de eisen van goede trouw in het handelsverkeer diende mee te delen.


Artikel 3.9
(Bedreiging)

Een partij kan een overeenkomst vernietigen indien zij door de wederpartij tot het sluiten van de overeenkomst is bewogen door een onrechtmatige bedreiging die, gelet op de omstandigheden, zo dreigend en ernstig is dat zij haar in redelijkheid geen keuze liet. Een bedreiging is in het bijzon-der onrechtmatig indien het handelen of nalaten waarmee wordt gedreigd op zichzelf onrechtmatig is, dan wel het onrechtmatig is het te gebruiken als middel om het sluiten van een overeen-komst te bewerkstelligen.


Artikel 3.10
(Buitensporig onevenwicht)

(1) Een partij kan een overeenkomst of een beding daarvan vernietigen indien de overeenkomst of dat beding ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor de wederpartij ongerechtvaardigd een buitensporig voordeel oplevert. Hierbij dient onder meer gelet te worden op
(a) het feit dat de wederpartij misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheid, economische noodtoe-stand of dringende behoefte van de eerste partij, of van diens lichtzinnigheid, onwetendheid, onervarenheid of gebrek aan vaardigheid in het onderhandelen, en
(b) de aard en de strekking van de overeenkomst.
(2) Op verzoek van de partij die bevoegd is tot vernietiging kan de rechter de overeenkomst of het beding wijzigen om deze in overeenstemming te brengen met de eisen van goede trouw in het handelsverkeer.
(3) De rechter kan de overeenkomst of het beding ook wijzigen op verzoek van de partij die een verklaring tot vernietiging heeft ontvangen, mits deze partij de wederpartij zijn verzoek onmiddellijk na ontvangst van deze verklaring en voordat die partij in vertrouwen daarop heeft gehandeld, meedeelt. De bepalingen van artikel 3.13 lid 2, zijn van overeenkomstige toepassing.


Artikel 3.11
(Derden)

(1) Indien bedrog, bedreiging, buitensporig onevenwicht of dwaling van een partij kan worden toegerekend aan, of bekend is of behoort te zijn bij een derde voor wiens handelen de wederpartij aansprakelijk is, dan kan de overeenkomst worden vernietigd onder dezelfde voorwaarden als wanneer het gaat om de gedragingen of kennis van de partij zelf.
(2) Indien bedrog, bedreiging of buitensporig onevenwicht kan worden toegerekend aan een derde voor wiens handelen de wederpartij niet aansprakelijk is, dan kan de overeenkomst worden vernietigd indien die partij het bedrog, de bedreiging of het buitensporig onevenwichtig kende of behoorde te kennen, dan wel ten tijde van de vernietiging nog niet in vertrouwen op de overeenkomst heeft gehandeld.


Artikel 3.12
(Bevestiging)

Indien de partij die bevoegd is de overeenkomst te vernietigen deze uitdrukkelijk of stilzwijgend bevestigt nadat de termijn voor kennisgeving tot vernietiging is ingegaan, dan vervalt de bevoegdheid om de overeenkomst te vernietigen.


Artikel 3.13
(Verval van de bevoegdheid tot vernietiging)

(1) Is een partij bevoegd de overeenkomst wegens dwaling te vernietigen, maar verklaart de wederpartij zich bereid de overeenkomst na te komen, of komt ze deze na, zoals ze was begrepen door de partij die tot vernietiging bevoegd is, dan wordt de overeenkomst geacht te zijn gesloten zoals de laatste partij deze begreep. De wederpartij dient een dergelijke verklaring te doen of de overeenkomst aldus na te komen onmiddellijk nadat zij is ingelicht over de wijze waarop de tot vernietiging bevoegde partij de overeenkomst had begrepen en voordat die partij in vertrouwen op een verklaring tot vernietiging heeft gehandeld.
(2) Na een dergelijke verklaring of nakoming vervalt de bevoegdheid tot vernietiging en heeft iedere eerdere verklaring tot vernietiging geen gevolg.


Artikel 3.14
(Verklaring tot vernietiging)

Vernietiging geschiedt door een kennisgeving aan de weder-partij.


Artikel 3.15
(Termijnen)

(1) Vernietiging dient te geschieden binnen een gelet op de omstandigheden redelijke termijn nadat de tot vernietiging bevoegde partij de relevante feiten kende of er niet onkundig van kon zijn of in staat is geworden om in vrijheid te handelen.
(2) Kan een beding uit een overeenkomst ingevolge artikel 3.10 worden vernietigd, dan gaat de termijn voor vernietiging in wanneer de wederpartij een beroep doet op dat beding.


Artikel 3.16
(Gedeeltelijke vernietiging)

Heeft een grond voor vernietiging alleen betrekking op afzonderlijke bedingen van een overeenkomst, dan is de vernietiging daartoe beperkt, tenzij het gelet op de omstandigheden onredelijk is de overeenkomst voor het overige in stand te laten.


Artikel 3.17
(Terugwerkende kracht van de vernietiging)

(1) Vernietiging heeft terugwerkende kracht.
(2) Iedere partij kan in geval van vernietiging teruggave vorderen van wat zij krachtens de overeenkomst of het vernie-tigde deel daarvan heeft gepresteerd, mits zij gelijktijdig hetgeen zij krachtens de overeenkomst of het vernietigde deel daarvan heeft ontvangen terugbetaalt, of indien dit onmogelijk is, vergoedt wat zij heeft ontvangen.


Artikel 3.18
(Schadevergoeding)

De partij die wist of behoorde te weten van de grond voor vernietiging is, ongeacht of de overeenkomst al dan niet is vernietigd, verplicht de schade te vergoeden teneinde de wederpartij in de toestand te brengen in welke zij had verkeerd indien zij de overeenkomst niet had gesloten.


Artikel 3.19
(Dwingende karakter van de bepalingen)

Van de bepalingen van dit hoofdstuk kan niet worden afgeweken, behalve voor zover ze betrekking hebben op de bindende kracht van een enkele overeenstemming, op de aanvankelijke onmogelijkheid of op dwaling.


Artikel 3.20
(Eenzijdige verklaringen)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op iedere wilsuiting van een partij aan de andere.



HOOFDSTUK 4

UITLEG


Artikel 4.1
(Bedoeling van de partijen)

(1) Een overeenkomst dient te worden uitgelegd overeen-komstig de gemeenschappelijke bedoeling van partijen.
(2) Kan een zodanige bedoeling niet worden vastgesteld, dan dient de overeenkomst te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die redelijke personen van dezelfde hoedanigheid als partijen daaraan in dezelfde omstandigheden zouden geven.


Artikel 4.2
(Uitleg van verklaringen en andere gedragingen)

(1) De verklaringen en andere gedragingen van een partij dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de bedoeling van die partij indien de wederpartij van die bedoeling wist of kon weten.
(2) Mist het vorige lid toepassing, dan dienen deze verklaringen en andere gedragingen te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die een redelijk persoon van dezelfde hoedanigheid als de wederpartij daar in dezelfde omstandighe-den aan zou geven.


Artikel 4.3
(Relevante omstandigheden)

Bij de toepassing van de artikelen 4.1 en 4.2 dient gelet te worden op alle omstandigheden, waaronder:
(a) voorafgaande onderhandelingen tussen partijen;
(b) tussen partijen gebruikelijke handelwijzen;
(c) de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst:
(d) de aard en de strekking van de overeenkomst:
(e) de betekenis die gewoonlijk in de betrokken handelsbranche aan de bepalingen en uitdrukkingen wordt gegeven;
(f) gewoonten.


Artikel 4.4
(Uitleg met inachtneming van de overeenkomst of verkla-ring als g-e-h-e-el)

Bepalingen en uitdrukkingen dienen te worden uitgelegd met inachtneming van de gehele overeenkomst of verklaring waarin ze voorkomen.


Artikel 4.5
(Gevolg geven aan alle bepalingen)

Bepalingen dienen bij voorkeur te worden uitgelegd eerder in een zin waarin alle bepalingen gevolg hebben dan in een zin waarin aan sommigen daarvan gevolg wordt onthouden.


Artikel 4.6
(Contra proferentem-regel)

Zijn bepalingen van een overeenkomst die afkomstig zijn van een partij onduidelijk, dan dienen deze bij voorkeur in het nadeel van deze partij te worden uitgelegd.


Artikel 4.7
(Verschil tussen talen)

Is een overeenkomst opgesteld in twee of meer talen en hebben deze een gelijk gezag, dan heeft, in geval van verschil tussen de versies, de uitleg overeenkomstig de oorspronkelijke versie de voorkeur.


Artikel 4.8
(Aanvulling van een ontbrekende bepaling)

(1) Zijn partijen bij een overeenkomst niets overeengekomen met betrekking tot een bepaling die van belang is voor de vaststelling van hun rechten en plichten, dan wordt ze aangevuld met een bepaling die in de omstandigheden passend is.
(2) Bij de vaststelling wat een passende bepaling is wordt onder meer gelet op:
(a) de bedoeling van partijen;
(b) de aard en de strekking van de overeenkomst:
(c) eisen van goede trouw;
(d) de redelijkheid.


HOOFDSTUK 5

INHOUD


Artikel 5.1
(Uitdrukkelijke en stilzwijgende verbintenissen)

Verbintenissen uit overeenkomst kunnen uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aangegaan.


Artikel 5.2
(Stilzijgend aangegane verbintenissen)

Stilzwijgend aangegane verbintenissen vinden hun oorsprong in:
(a) de aard en de strekking van de overeenkomst;
(b) tussen partijen gebruikelijke handelwijzen en gewoonten;
(c) eisen van goede trouw;
(d) de redelijkheid.


Artikel 5.3
(Medewerking van partijen)

Iedere partij is verplicht aan de wederpartij medewerking te verlenen indien een dergelijke medewerking redelijkerwijs kan worden verlangd bij de nakoming van haar verbintenissen.


Artikel 5.4
(Resultaats- en inspanningsverbintenissen)

(1) Voor zover een verbintenis van een partij een resultaatsverbintenis inhoudt, is die partij gehouden dat resultaat te bereiken.
(2) Voor zover een verbintenis van een partij een inspanningsverbintenis inhoudt, is die partij gehouden een inspanning te leveren die een redelijk persoon van dezelfde hoedanigheid in dezelfde omstandigheden zou leveren.


Artikel 5.5
(Bepaling van de aard van de verbintenis)

Bij de bepaling in hoeverre een verbintenis van een partij een inspanningsverbintenis of een resultaatsverbintenis inhoudt, dient onder meer gelet te worden op de volgende omstandigheden:
(a) de wijze waarop de verbintenis in de overeenkomst is omschreven;
(b) de prijs en de andere bepalingen van de overeenkomst;
(c) de omvang van het risico dat normaal betrokken is bij het bereiken van het te verwachten resultaat;
(d) het vermogen van de wederpartij om de nakoming van de verbintenis te beïnvloeden.


Artikel 5.6
(Bepaling van de kwaliteit van de prestatie)

Is de kwaliteit van de verschuldigde prestatie niet in de overeenkomst bepaald, noch daaruit af te leiden, dan is de schuldenaar verplicht een prestatie te leveren van een redelijke en in de gegeven omstandigheden niet beneden gemiddelde kwaliteit.


Artikel 5.7
(Prijsbepaling)

(1) Bepaalt de overeenkomst noch de prijs, noch de wijze van vaststelling daarvan, dan worden de partijen, tenzij het tegendeel blijkt, geacht te hebben verwezen naar de prijs die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in de betreffende handelsbranche voor een zodanige prestatie onder vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is, of, indien een zodanige prijs niet kan worden vastgesteld, naar een redelijke prijs.
(2) Dient de prijs door een van de partijen te worden vastgesteld, en is de door deze vastgestelde prijs kennelijk onredelijk, dan treedt, niettegenstaande elk strijdig beding, een redelijke prijs daarvoor in de plaats.
(3) Dient de prijs te worden vastgesteld door een derde, en kan deze niet of weigert deze de prijs vast te stellen, dan geldt een redelijke prijs.
(4) Dient de prijs te worden vastgesteld aan de hand van omstandigheden die niet of niet meer bestaan of niet kenbaar zijn, dan treedt de meest vergelijkbare omstandigheid daarvoor in de plaats.


Artikel 5.8
(Overeenkomsten voor onbepaalde tijd)

Een overeenkomst voor onbepaalde tijd kan door iedere partij worden opgezegd door een kennisgeving met een redelijke termijn.



HOOFDSTUK 6

NAKOMING

AFDELING 1: NAKOMING IN HET ALGEMEEN


Artikel 6.1.1
(Tijdstip van nakoming)

Een partij moet nakomen:
(a) indien een tijdstip in de overeenkomst is bepaald of of op grond daarvan kan worden bepaald, op dat tijdstip;
(b) indien een termijn in de overeenkomst is bepaald of op grond daarvan kan worden bepaald, op enig tijdstip binnen die termijn, tenzij uit de omstandigheden blijkt dat de andere partij een tijdstip kan kiezen;
(c) in de overige gevallen, binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst.


Artikel 6.1.2
(Nakoming ineens of in gedeelten)

In de gevallen bedoeld in artikel 6.1.1(b) en (c) dient een partij haar verbintenis ineens na te komen indien nako-ming ineens mogelijk is en uit de omstandigheden niet anders volgt.


Artikel 6.1.3
(Gedeeltelijke nakoming)

(1) De schuldeiser kan een aanbod om gedeeltelijk na te komen op het tijdstip waarop nakoming dient te geschieden, afwijzen, ongeacht of dit aanbod vergezeld gaat met een zekerheidstelling voor het saldo van de prestatie, tenzij de schuldeiser daarbij geen gerechtvaardigd belang heeft.
(2) Onverminderd enige andere vordering uit tekortkoming draagt de schuldenaar de bijkomende kosten die gedeeltelijke nakoming voor de schuldeiser veroorzaakt.


Artikel 6.1.4
(Volgorde van nakoming)

(1) Voor zover de door de partijen verschuldigde presta-ties gelijktijdig kunnen worden nagekomen, zijn partijen verplicht deze gelijktijdig na te komen, tenzij uit de omstandigheden anders volgt.
(2) Voor zover de nakoming door slechts één der partijen enige tijd in beslag neemt, is die partij verplicht als eerste na te komen, tenzij uit de omstandigheden anders volgt.


Artikel 6.1.5
(Vroegtijdige nakoming)

(1) De schuldeiser kan een eerdere nakoming weigeren, tenzij hij daarbij geen gerechtvaardigd belang heeft.
(2) Aanvaarding door een partij van een eerdere nakoming heeft geen invloed op het tijdstip van nakoming van haar eigen verbintenissen indien dat tijdstip is vastgesteld zonder verband met de nakoming van de verbintenissen van de wederpartij.
(3) Onverminderd enige ander recht uit tekortkoming draagt de schuldenaar de bijkomende kosten die de eerdere nakoming voor de schuldeiser veroorzaakt.


Artikel 6.1.6
(Plaats van nakoming)

(1) Is de plaats van nakoming niet in de overeenkomst bepaald, noch op grond daarvan te bepalen, dan moet nakoming geschie-den:
(a) bij een verbintenis tot betaling van een geldsom, op de plaats van vestiging van de schuldeiser;
(b) bij andere verbintenissen, op de plaats van vestiging van de schuldenaar.
(2) Een partij moet de meerkosten van nakoming dragen die het gevolg zijn van een wijziging van haar plaats van vestiging na het sluiten van de overeenkomst.


Artikel 6.1.7
(Betaling per cheque of een ander betaalmiddel)

(1) Betaling van een geldsom kan geschieden op iedere wijze die gebruikelijk is in het handelsverkeer op de plaats van betaling.
(2) Een schuldeiser die ingevolge lid 1 of vrijwillig een cheque, een andere betalingsopdracht of een belofte tot betaling aanvaardt, wordt vermoed dit slechts te doen onder voorbehoud van goede afloop.


Artikel 6.1.8
(Betaling door overschrijving)

(1) Tenzij de schuldeiser een bepaalde rekening heeft aangewezen, kan de betaling van een geldsom geschieden op iedere rekening bij een financiële instelling waarbij de schuldeiser kenbaar heeft gemaakt een rekening te houden.
(2) In geval van betaling door overschrijving is de schuldenaar van zijn verbintenis bevrijd op het tijdstip waarop de overdracht aan de financiële instelling van de schuldeiser is geschied.


Artikel 6.1.9
(Betaalvaluta)

(1) Is een verbintenis tot betaling van een geldsom uitgedrukt in ander geld dan op de plaats van betaling gangbaar is, dan kan de schuldenaar betalen in het geld dat op de plaats van betaling gangbaar is, tenzij:
(a) dat geld niet vrij omwisselbaar is; of
(b) partijen zijn overeengekomen dat de betaling moet geschieden in het geld waarin de verbintenis is uitgedrukt.
(2) Is betaling in het geld waarin de verbintenis is uitgedrukt voor de schuldenaar onmogelijk, dan kan de schuldeiser vorderen dat de betaling zal geschieden in het geld dat op de plaats van betaling gangbaar is, ook in het geval bedoeld in lid 1, onder b.
(3) Betaling in geld gangbaar op de plaats van betaling moet geschieden overeenkomstig de wisselkoers die gangbaar is op het tijdstip waarop de betaling is verschuldigd.
(4) Heeft de schuldenaar evenwel niet betaald op het tijdstip waarop de betaling is verschuldigd, dan kan de schuldeiser betaling vorderen overeenkomstig de wisselkoers die geldt op het tijdstip waarop de betaling verschuldigd is, dan wel die op het tijdstip waarop de betaling is geschied.


Artikel 6.1.10
(Valuta niet uitgedrukt)

Is een verbintenis tot betaling van een geldsom niet uitgedrukt in een bepaald geld, dan moet de betaling geschieden in het geld dat gangbaar is op de plaats waar de betaling moet geschieden.


Artikel 6.1.11
(Kosten van nakoming)

Iedere partij draagt de kosten van nakoming van haar verbintenissen.


Artikel 6.1.12
(Toerekening van betalingen van een geldsom)

(1) Een schuldenaar die aan een zelfde schuldeiser meer dan één geldsom verschuldigd is, kan op het tijdstip van betaling aanwijzen op welke schuld deze dient te worden toegerekend. De toerekening geschiedt evenwel eerst op de kosten, vervolgens op de opeisbare rente en ten slotte op de hoofdsom.
(2) Bij gebreke van een zodanige aanwijzing door de schuldenaar, kan de schuldeiser binnen een redelijke termijn na betaling aan de schuldenaar verklaren op welke schuld deze wordt toegerekend, mits deze schuld opeisbaar en onbetwist is.
(3) Bij gebreke van een toerekening overeenkomstig lid 1 of 2, wordt de betaling toegerekend op die schuld die, in volgorde, aan de volgende criteria voldoet:
(a) de schuld die opeisbaar is of als eerste opeisbaar wordt;
(b) de schuld waarvoor de schuldeiser over de zwakste zekerheden beschikt;
(c) de schuld die voor de schuldenaar het meest bezwarend is;
(d) de oudste schuld.
Vindt geen van deze criteria toepassing, dan geschiedt de toerekening op alle schulden naar evenredigheid.


Artikel 6.1.13
(Toerekening van andere prestaties)

Artikel 6.1.12 is van overeenkomstige toepassing op de toerekening van andere prestaties dan de betaling van een geldsom.


Artikel 6.1.14
(Aanvraag van een overheidsvergunning)

Eist het recht van een Staat voor de geldigheid van een overeenkomst of voor de nakoming daarvan een vergunning van de overheid, dan dient, indien noch uit dat recht, noch uit de omstandigheden anders volgt:
(a) de partij die als enige haar plaats van vestiging in die Staat heeft de nodige maatregelen te nemen om die vergunning te verkrijgen;
(b) in de overige gevallen de partij voor wiens nakoming een vergunning vereist is de nodige maatregelen te nemen.


Artikel 6.1.15
(Aanvraagprocedure)

(1) De partij die de nodige maatregelen moet nemen om de vergunning te verkrijgen moet dit onverwijld doen en draagt alle daarvoor gemaakte kosten.
(2) Deze partij dient, telkens wanneer dit passend is, de wederpartij onverwijld van het verlenen of weigeren van de vergunning kennis te geven.


Artikel 6.1.16
(Vergunning noch verleend noch geweigerd)

(1) Wordt de vergunning noch verleend, noch geweigerd binnen een overeengekomen termijn, of indien geen termijn is overeengekomen, binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst, dan kan, ook al heeft de verantwoordelijke partij de nodige maatregelen getroffen, iedere partij de overeenkomst ontbinden.
(2) Betreft de vergunning slechts enkele bepalingen van de overeenkomst, dan is lid 1 niet van toepassing indien het, gelet op de omstandigheden, redelijk is de overeenkomst voor het overige in stand te houden, zelfs indien de vergunning zou worden geweigerd.


Artikel 6.1.17
(Vergunning geweigerd)

(1) De weigering van een voor de geldigheid van de overeenkomst vereiste vergunning maakt de overeenkomst nietig. Betreft de weigering alleen de geldigheid van enkele bepalingen, dan zijn alleen deze bepalingen nietig indien het, gelet op de omstandigheden, redelijk is de overeenkomst voor het overige in stand te houden.
(2) Is door de weigering van een vergunning nakoming van de overeenkomst geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan zijn de regels inzake niet-nakoming van toepassing.



AFDELING 2: OVERMATIGE VERZWARING


Artikel 6.2.1
(Bindende kracht van de overeenkomst)

Indien de nakoming van een overeenkomst voor een partij bezwarender is geworden, is deze partij niettemin verplicht haar verbintenis na te komen, behoudens met inachtneming van de volgende bepalingen betreffende overmatige verzwaring.


Artikel 6.2.2
(Definitie overmatige verzwaring)

Er is sprake van overmatige verzwaring indien een gebeurtenis het contractueel evenwicht wezenlijk verandert, hetzij doordat voor een partij de kosten van nakoming zijn vermeerderd, hetzij doordat de waarde van de prestatie die zij ontvangt is verminderd, en
(a) de gebeurtenis na het sluiten van de overeenkomst plaatsvindt of aan de benadeelde partij bekend wordt;
(b) de benadeelde partij met de gebeurtenis ten tijde van het sluiten van de overeenkomst redelijkerwijs geen rekening kon houden;
(c) de gebeurtenis buiten de macht lag van de benadeelde partij; en
(d) de benadeelde partij het risico van de gebeurtenis niet heeft aanvaard.


Artikel 6.2.3
(Gevolgen van overmatige verzwaring)

(1) In geval van overmatige verzwaring is de benadeelde partij bevoegd om heronderhandeling te verzoeken. Het verzoek dient onverwijld en met opgave van redenen te geschieden.
(2) Het enkele verzoek tot heronderhandeling geeft de benadeelde partij niet de bevoegdheid de nakoming op te schorten.
(3) Indien niet binnen een redelijke termijn overeenstem-ming wordt bereikt, kan iedere partij zich tot de rechter wenden.
(4) Oordeelt de rechter dat er sprake is van overmatige verzwaring, dan kan hij, indien dit redelijk is:
(a) de overeenkomst op een bepaalde datum en onder bepaalde voorwaarden ontbinden, of
(b) de overeenkomst wijzigen ten einde het contractueel evenwicht te herstellen.



HOOFDSTUK 7

NIET-NAKOMING

AFDELING 1: ALGEMENE BEPALINGEN


Artikel 7.1.1
(Definitie van een tekortkoming)

Een tekortkoming is de niet-nakoming door een partij van enige verbintenis uit overeenkomst, waaronder een gebrekkige of niet-tijdige nakoming.


Artikel 7.1.2
(Schuldeisersverzuim)

Een partij kan geen beroep doen op de tekortkoming van de wederpartij voor zover die tekortkoming is veroorzaakt door haar eigen handelen of door een andere gebeurtenis die voor haar rekening komt.


Artikel 7.1.3
(Opschorting van nakoming)

(1) Indien partijen gelijktijdig moeten nakomen, kan iedere partij de nakoming van haar verbintenis opschorten tot de wederpartij nakoming aanbiedt.
(2) Indien partijen niet gelijktijdig moeten nakomen, is de partij die later moet nakomen bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te schorten tot de wederpartij heeft is nagekomen.


Artikel 7.1.4
(Zuivering door de tekortschietende partij)

(1) De partij die tekortschiet kan op eigen kosten elke tekortkoming zuiveren, mits:
(a) deze partij onverwijld kennis geeft van de voorgestelde wijze en tijdstip van zuivering;
(b) de zuivering in de gegeven omstandigheden passend is;
(c) de schuldeiser geen gerechtvaardigd belang heeft om de zuivering te weigeren; en
(d) de zuivering onmiddellijk plaatsvindt.
(2) Een kennisgeving tot ontbinding staat niet aan de bevoegdheid tot zuivering in de weg.
(3) Bij een geldige kennisgeving van zuivering worden de bevoegdheden van de schuldeiser die niet verenigbaar zijn met nakoming door de partij die tekortschiet, opgeschort totdat de termijn voor zuivering is verstreken.
(4) De schuldeiser kan gedurende de zuivering de nakoming van zijn verbintenissen opschorten.
(5) Ondanks zuivering behoudt de schuldeiser het recht op vergoeding van zijn schade wegens de vertraging en op vergoeding van iedere andere schade die door de zuivering is veroor-zaakt of daardoor niet is voorkomen.


Artikel 7.1.5
(Aanvullende termijn voor nakoming)

(1) Bij een tekortkoming kan de schuldeiser de wederpartij door een kennisgeving een aanvullende termijn voor nakoming toestaan.
(2) Gedurende de aanvullende termijn kan de schuldeiser de nakoming van zijn eigen daartegenover staande verbintenissen opschorten en vergoeding van zijn schade vorderen, maar hij kan geen beroep doen op enig ander recht uit tekortkoming. Ontvangt de schuldeiser een kennisgeving van de wederpartij dat zij niet binnen deze termijn zal nakomen, of is binnen deze termijn niet behoorlijk nagekomen, dan kan de schuldeiser een beroep doen op ieder recht waarover hij krachtens dit hoofdstuk beschikt.
(3) Vormt een vertraging in de nakoming geen wezen-lijke tekortkoming en heeft de schuldeiser door een kennisgeving een redelijke aanvullende termijn voor nakoming toegestaan, dan kan hij na verloop van deze termijn de overeenkomst ontbinden. Is de toegestane termijn niet van redelijke duur, dan wordt deze verlengd tot een redelijke termijn. De schuldeiser kan in zijn kennisgeving bepalen dat de overeenkomst van rechtswege ontbonden zal zijn indien de wederpartij niet binnen de toegestane termijn nakomt.
(4) Lid 3 is niet van toepassing indien de verbintenis die niet is nagekomen slechts een ondergeschikt deel vormt van de verbintenissen van de partij die tekortschiet.


Artikel 7.1.6
(Exoneratiebedingen)

Op een beding dat de aansprakelijkheid van een partij bij een tekortkoming beperkt of uitsluit of een partij de bevoegdheid geeft wezenlijk anders na te komen dan de wederpartij redelijkerwijs verwachtte, kan geen beroep worden gedaan indien dit gelet op de strekking van de overeenkomst hoogst onredelijk zou zijn.


Artikel 7.1.7
(Overmacht)

(1) Een tekortkoming door een partij is niet toerekenbaar indien die partij bewijst dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar macht lag en van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het slui-ten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of deze of de gevolgen daarvan zou hebben vermeden of onder-vangen.
(2) Is de verhindering slechts tijdelijk, dan is de tekortkoming niet toerekenbaar voor een termijn die gelet op het gevolg van de verhindering voor de nakoming van de overeenkomst, redelijk is.
(3) De partij die tekortschiet moet de wederpartij kennis geven van de verhindering en van de gevolgen daarvan voor haar vermogen om na te komen. Heeft de wederpartij niet binnen redelijke termijn nadat de tekortschietende partij wist of behoorde te weten van de verhindering, een dergelijke kennis-geving ontvangen, dan is de tekortschietende partij aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is.
(4) Deze bepaling laat de bevoegdheid van een partij om de overeenkomst te ontbinden, de nakoming op te schorten of rente te vorderen op opeisbare geldschulden, onverlet.



AFDELING 2: RECHT OP NAKOMING


Artikel 7.2.1
(Nakoming van een verbintenis tot betaling van een geld-som)

Indien een partij die verplicht is een geldsom te betalen, dit nalaat, kan de wederpartij betaling eisen.


Artikel 7.2.2
(Nakoming van een verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom)

(1) Indien de schuldenaar van een verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom, tekortschiet, kan de schuldeiser nakoming vorderen, tenzij
(a) nakoming rechtens of feitelijk onmogelijk is;
(b) nakoming of, voor zover van belang, tenuitvoerlegging, onredelijk bezwarend of kostbaar is;
(c) de schuldeiser de prestatie redelijkerwijs elders kan verkrijgen;
(d) de prestatie van een hoogst persoonlijk karakter is;
(e) de schuldeiser niet binnen een redelijke termijn nakoming eist nadat hij wist of behoorde te weten van de tekortkoming.


Artikel 7.2.3
(Herstel en vervanging van een gebrekkige nakoming)

De bevoegdheid om nakoming te vorderen omvat in daartoe geschikte gevallen het recht om herstel, vervanging of een andere vorm van zuivering van een gebrekkige nakoming te vorderen. De artikelen 7.2.1 en 7.2.2 zijn van overeenkomstige toepassing.


Artikel 7.2.4
(Dwangsom)

(1) Indien de rechter een partij tot nakoming veroordeelt, kan hij deze partij ook een dwangsom opleggen voor het geval zij de veroordeling niet naleeft.
(2) De dwangsom komt toe aan de wederpartij tenzij de dwingende bepalingen van het recht van de rechter anders bepalen. Betaling van de dwangsom aan de wederpartij sluit het recht op schadevergoeding niet uit.


Artikel 7.2.5
(Wijziging van een gekozen recht uit tekortkoming)

(1) Een schuldeiser die de nakoming heeft gevorderd van een verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom, en die niet binnen de vastgestelde termijn dan wel een redelijke termijn de prestatie heeft ontvangen, kan een beroep doen op ieder ander recht uit tekortkoming.
(2) Indien een veroordeling door de rechter tot nakoming van een verbintenis anders dan tot betaling van een geldsom niet ten uitvoer kan worden gelegd, kan de schuldeiser een beroep doen op ieder ander recht uit tekortkoming.



AFDELING 3: ONTBINDING


Artikel 7.3.1
(Bevoegdheid tot ontbinding)

(1) Een partij kan de overeenkomst ontbinden indien de tekortkoming van de wederpartij in de nakoming van een daaruit voortvloeiende verbintenis een wezenlijke tekortkoming vormt.
(2) Bij de beoordeling of een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis een wezenlijke tekortkoming vormt dient er in het bijzonder op te worden gelet of:
(a) de tekortkoming de schuldeiser wezenlijk onthoudt hetgeen hij krachtens de overeenkomst mocht verwachten tenzij de wederpartij dit noch voorzag noch redelijkerwijs kon voorzien;
(b) strikte naleving van de niet nagekomen verbintenis voor de overeenkomst van wezenlijk belang is;
(c) de tekortkoming opzettelijk of roekeloos is veroor-zaakt;
(d) de tekortkoming de schuldeiser goede gronden geeft om niet meer te vertrouwen op een toekomstige nakoming door de wederpartij;
(e) de tekortschietende partij bij ontbinding van de overeenkomst onevenredige hoge schade zal lijden ten gevolge van de gemaakte voorbereiding of nakoming.
(3) De schuldeiser kan in geval van vertraging de overeenkomst ook ontbinden indien de wederpartij niet nakomt binnen de haar ingevolge artikel 7.1.5 toegestane termijn.


Artikel 7.3.2
(Ontbindingsverklaring)

(1) Ontbinding vindt plaats door een kennisgeving aan de wederpartij.
(2) Wordt nakoming te laat aangeboden of beantwoordt ze anderszins niet aan de overeenkomst dan verliest de schuldenaar zijn bevoegdheid tot ontbinding indien hij niet ontbindt binnen een redelijke termijn nadat hij wist of behoorde te weten van het aanbod of van de niet aan de overeenkomst beantwoordende nakoming.


Artikel 7.3.3
(Tekortkoming op voorhand)

Staat het voor de dag waarop nakoming verschuldigd is vast dat een van de partijen wezenlijk zal tekortschieten, dan kan de wederpartij de overeenkomst ontbinden.


Artikel 7.3.4
(Passende zekerheidstelling voor nakoming)

Een partij die goede gronden heeft te vrezen dat de wederpartij wezenlijk zal tekortschieten kan een passende zekerheid voor een behoorlijke nakoming eisen en kan ondertussen haar eigen nakoming opschorten. Wordt niet binnen redelijke termijn deze zekerheid gesteld dan kan de eerstgenoemde partij de overeenkomst ontbinden.


Artikel 7.3.5
(Gevolgen van ontbinding in het algemeen)

(1) Ontbinding van een overeenkomst bevrijdt de partijen van hun verbintenissen en van de aanvaarding van toekomstige nakoming.
(2) Ontbinding laat een recht op schadevergoeding wegens een tekortkoming onverlet.
(3) Ontbinding raakt noch een beding in de overeenkomst betreffende de beslechting van geschillen, noch enige andere bepaling van de overeenkomst die bestemd is om te blijven gelden na ontbinding.


Artikel 7.3.6
(Ongedaanmaking)

(1) Na ontbinding kan iedere partij hetgeen zij gepresteerd heeft terugvorderen, mits deze partij gelijktijdig hetgeen zij ontvangen heeft teruggeeft. Is teruggave in natura niet mogelijk of niet passend, dan is, indien dit redelijk is, een vergoeding in geld verschuldigd.
(2) Heeft nakoming van de overeenkomst zich over een bepaalde termijn uitgestrekt, en is de overeenkomst deelbaar, dan kan slechts teruggave worden gevorderd over de periode na ontbinding van de overeenkomst.



AFDELING 4: SCHADEVERGOEDING


Artikel 7.4.1
(Recht op schadevergoeding)

Iedere tekortkoming geeft de schuldeiser recht op schadevergoeding, hetzij afzonderlijk, hetzij tesamen met enige ander recht uit tekortkoming, tenzij de tekortkoming de schuldenaar ingevolge deze beginselen niet kan worden toegerekend.


Artikel 7.4.2
(Volledige schadevergoeding)

(1) De schuldeiser heeft recht op volledige vergoeding van de schade die hij door de tekortkoming lijdt. Deze schade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst, waarbij ieder voordeel dat de schuldeiser heeft genoten doordat hij door de tekortkoming kosten of schade heeft ontlopen, in rekening moet worden gebracht.
(2) Schade kan ook ander nadeel dan vermogensschade zijn, zoals lichamelijk of geestelijk letsel.


Artikel 7.4.3
(Zekerheid van de schade)

(1) Vergoeding is slechts verschuldigd voor schade, waaronder toekomstige schade, die met een redelijke mate van zekerheid is vastgesteld.
(2) Vergoeding kan verschuldigd zijn voor het verlies van een kans in verhouding tot de waarschijnlijkheid dat deze zich zou hebben verwezenlijkt.
(3) Kan het bedrag van de schade niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld, dan schat de rechter de omvang van de schade.


Artikel 7.4.4
(Voorzienbaarheid van de schade)

De partij die tekortschiet is slechts aansprakelijk voor de schade die zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst als waarschijnlijk gevolg van de tekortkoming had voor-ien of redelijkerwijs kon voorzien.


Artikel 7.4.5
(Bewijs van schade bij vervangende overeenkomst)

Heeft de schuldeiser de overeenkomst ontbonden en binnen redelijke termijn en op redelijke voorwaarden een vervangende overeenkomst gesloten, dan kan hij het prijsverschil vorderen tussen de oorspronkelijke overeenkomst en de vervangende overeenkomst, alsmede vergoeding van elke andere schade.


Artikel 7.4.6
(Bewijs van schade bij marktprijs)

(1) Heeft de schuldeiser de overeenkomst ontbonden en geen vervangende overeenkomst gesloten, dan kan hij, indien er een marktprijs voor de overeengekomen prestatie is, het verschil vorderen tussen de overeengekomen prijs en de marktprijs ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst, alsmede vergoeding van elke andere schade.
(2) De marktprijs is de prijs die voor de geleverde goederen of diensten gewoonlijk wordt bedon-gen in vergelijkbare omstandigheden op de plaats waar de overeenkomst moet worden nagekomen of, indien daar geen marktprijs bestaat, de marktprijs op een andere plaats die deze redelijkerwijs kan vervangen.


Artikel 7.4.7
(Gedeeltelijk aan de schuldeiser toerekenbare schade)

Is de schade gedeeltelijk het gevolg van een handelen of nalaten van de schuldeiser of van een andere gebeurtenis die voor zijn rekening komt, dan wordt het bedrag van de schadevergoeding verminderd in de mate waarin deze omstandigheden, gelet op het gedrag van de partijen, tot de schade hebben bijgedragen.


Artikel 7.4.8
(Beperking van de schade)

(1) De partij die tekortschiet is niet aansprakelijk voor schade geleden door de schuldeiser voor zover deze de schade kon beperken door het treffen van redelijke maatregelen.
(2) De schuldeiser heeft recht op vergoeding van alle kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt ter beperking van de schade.


Artikel 7.4.9
(Rente voor een tekortkoming in de betaling van een geldsom)

(1) Betaalt de schuldenaar een geldsom niet op het tijdstip waarop ze verschuldigd is, dan heeft de schuldeiser recht op rente over die som over de tijd tussen het verschuldigd zijn en de betaling, ook al kan de niet-betaling hem niet worden toegerekend.
(2) Als rentevoet geldt de gemiddelde rentevoet zoals die geldt op de plaats waar de betaling verschuldigd is voor een lening op korte termijn in de betaalvaluta door een handelsbank aan eerste klas leners, of indien op die plaats een zodanige rentevoet niet bestaat, dezelfde rentevoet in het land van de betaalvaluta. Bij gebreke van een dergelijke rentevoet op beide plaatsen geldt de passende rentevoet vastgesteld door het recht van het land van de valuta waarin de betaling moet plaatsvinden.
(3) De schuldeiser heeft recht op aanvullende schadevergoeding indien het achterwege blijven van de betaling voor hem grotere schade veroorzaakt.


Artikel 7.4.10
(Rente over schadevergoeding)

Tenzij anders overeengekomen, is over schadevergoeding wegens tekortkoming van verbintenissen anders dan tot betaling van een geldsom, rente verschuldigd vanaf het tijdstip van de tekortkoming.


Artikel 7.4.11
(Wijze van vergoeding)

(1) Schadevergoeding moet als bedrag ineens worden betaald. Zij kan echter in termijnen worden betaald indien dit gelet op de aard van de schade passend is.
(2) Schadevergoeding die in termijnen wordt betaald kan worden geïndexeerd.


Artikel 7.4.12
(Schadevergoedingsvaluta)

Schadevergoeding dient naar gelang het meest passend is te worden vastgesteld in de valuta waarin de verbintenis tot betaling van een geldsom was uitgedrukt dan wel in de valuta waarin de schade is geleden.


Artikel 7.4.13
(Boetebeding)

(1) Bepaalt de overeenkomst dat een partij die tekortschiet, wegens de tekortkoming een vastgestelde geldsom aan de schuldeiser dient te betalen, dan kan de schuldeiser daar ongeacht zijn werkelijk geleden schade aanspraak op maken.
(2) De vastgestelde geldsom kan echter, niettegenstaande elk strijdig beding, gematigd worden tot een redelijk bedrag indien de geldsom buitensporig is in verhouding tot de schade die het gevolg is van de tekortkoming en tot de andere omstandigheden.