I. VRAAGSTELLING.
1. Rechtszekerheid.
2. Vertrouwensbeginsel.
3. Verhouding tussen beide assen.
4. Goede trouw
II. BENADERING VAN HET VERTROUWENSBEGINSEL.
1. Vertrouwensbeginsel tegenover schijnleer.
2. Vertrouwensbeginsel.
III. ENKELE REEDS KLASSIEKE TOEPASSINGEN.
1. Betaling aan, kwijting door, verhuring door de bezitter.
2. Vertegenwoordiging.
3. Nietigheden van handelingen van echtgenoten gesteld zonder
medewerking van de andere.
4. Schuldvorderingspapieren
IV. WIL EN VERTROUWEN BIJ DE TOTSTANDKOMING EN UITLEG VAN VERBINTENISSEN
UIT OVEREENKOMST
1. Algemene vraagstelling en historische achtergrond.
2. Uitleg van rechtshandelingen; misverstand (diskrepantie tussen
wil en verklaring).
a) de juiste rol van de "wil" en de grondregels voor
uitleg van obligatore rechtverhou-dingen ex contractu - beginselen.
b) Nadere adstruktie, met uitwerking van mededelings- en onderzoekslasten.
c) De bijzondere betekenis van het geschreven woord als uitdrukking
van het vertrouwensbeginsel.
d) Nogmaals mededelings- en onderzoekslasten.
3. Uitleg en dwaling, misrepresentation
4. Nader over de betekenis van feitelijke mededelingen.
5. Iets over de aard van onderzoeks- en informatielasten.
6. Nadere uitwerking van de normaliteit van de opgewekte verwachting
: uitleg van rechtshan-de-lingen naar verkeersgebruik.
V. BESLUITEN.